Protocollen

Vanuit het idee om op school op een goede manier met elkaar te kunnen samenwerken zijn regels en afspraken opgesteld. Deze regels en afspraken staan beschreven in diverse protocollen.

  • De Caeciliaschool wil een school zijn die de leerlingen een veilig pedagogisch klimaat biedt, een omgeving gecreëerd wordt waar zij zich op een prettige en positieve wijze kunnen ontwikkelen. De leerkrachten willen deze ontwikkeling bevorderen door het scheppen van een veilig klimaat in en om de school en een prettige werksfeer in de klas. In veruit de meeste gevallen lukt dit door regels van het “hoe gaan we met elkaar om” aan te bieden en te onderhouden. Soms is het echter nodig om duidelijkere afspraken met de kinderen te maken.

    Informatie
    Wij spreken van pestgedrag als een kind zich ongelukkig voelt omdat hij of zij geconfronteerd wordt met vervelend of agressief gedrag of buitengesloten wordt. De inzet van het pestgedrag is macht door intimidatie. Bij echt pestgedrag zien we ook altijd een vaste rolverdeling terug bij de betrokkenen.

    Voorbeelden van pestgedrag:
    – Vernederen:
    – Schelden
    – Dreigen;
    – Belachelijk maken
    – Kinderen een negatieve bijnaam geven
    – Gemene briefjes schrijven om een kind te isoleren of samen te spannen tegen een ander kind;
    – Trekken, duwen, spugen, slaan, schoppen, krabben, bijten.
    – Een kind achterna lopen of opwachten
    – De doorgang versperren
    – Dwingen om iets af te geven dat niet van jou is
    – Uitsluiten met spelletjes, niet mogen meelopen.
    – Afpakken van spullen of kapot maken daarvan
    – Digitaal pesten (zie bijlage)

    Betrokkenen

    1. Het gepeste kind.
    Sommige kinderen hebben een grotere kans om gepest te worden dan anderen. Dit kan komen door uiterlijke kenmerken maar het kan ook te maken hebben met zichtbaar gedrag en de manier waarop dat geuit wordt. Er zijn aanleidingen genoeg om door anderen gepest te worden mits de pester daarvoor de kans krijgt. Veel kinderen die gepest worden zijn niet in staat daadwerkelijk actie te ondernemen tegen de pestkoppen. Vaak zijn ze onzeker en angstig en durven weinig tot niets te zeggen omdat ze bang zijn uitgelachen te worden. Deze angst en onzekerheid wordt versterkt door het pestgedrag. Gepeste kinderen voelen zich vaak eenzaam, hebben in hun gepeste omgeving geen vrienden om op terug te vallen en kunnen soms beter met volwassenen opschieten dan met hun leeftijdsgenootjes. Zonder hulp komen zij niet uit deze positie.

    2. De pester(s):
    Kinderen die pesten zijn vaak fysiek de sterkste. Ze reageren met een dreiging van geweld of met een indirecte inzet van geweld. Pesters lijken vaak heel populair te zijn in een groep, maar ze dwingen die populariteit vaak op een negatieve manier af. Pesters hebben feilloos in de gaten welke kinderen gemakkelijk te pakken zijn. De andere kinderen hebben een keuze die zwijgend wordt opgelegd: Je bent voor of tegen me. Hier gaat vaak een grote dreiging van uit. Het komt ook vaak voor dat een pestkop een kind is dat in een andere situatie zelf slachtoffer is geweest. Om te voorkomen zelf gepest te worden, gaat het kind zich als pester opstellen. Door hun verkeerde en vooral beperkte sociale vaardigheden hebben pesters vaak moeite om vriendjes voor langere termijn te maken en een vriendschap op te bouwen en te onderhouden op andere gronden dan die van macht. Daarbij hebben zij hulp nodig.

    3. De meelopers en de zwijgende middengroep.
    De meeste kinderen zijn niet direct betrokken bij het pesten, ze blijven op afstand of doen incidenteel mee. Dit zijn de zogenaamde meelopers. Er zijn ook kinderen die niet merken dat er gepest wordt of die niet willen weten dat er gepest wordt. Veel meelopers zijn bang om zelf slachtoffer te worden van het pesten. Als kinderen actiever gaan meepesten in een grotere groep, voelen ze zich minder betrokken en minder verantwoordelijk voor wat er gebeurt. Alles wat in een groep gebeurt, laat het individuele denken en de individuele verantwoordelijkheid achter zich en kan daarom leiden tot grote excessen die voor iedereen onacceptabel zijn. De zwijgende middengroep zijn die leerlingen die het pesten wel zien, maar geen actie ondernemen.

    Op school

    Preventieve maatregelen
    – In de tweede week na de zomervakantie worden er samen met de leerlingen regels afgesproken in een zogenaamd pestprotocol. Een gedeelte daarvan is door de leerkrachten opgesteld, de leerlingen vullen die aan. De regels worden duidelijk zichtbaar in de klas opgehangen en door de kinderen ondertekend.
    – Een keer per jaar is er een “Jij en ik “week. Daarin kunnen gastlessen van bureau Halt gegeven worden of er kan gewerkt worden aan het Coole kikker project. Ook kan er gewerkt worden aan andere pestprojecten. Ouders krijgen in die week ook informatie in de nieuwsbrief mee over het omgaan met pesten en het project.
    – In alle groepen wordt er gewerkt met een sociaal-emotionele methode “De jij en ik club” Voor elk leerjaar zijn er een aantal lessen rondom pesten, conflicten, zorgen voor elkaar en zelfvertrouwen.
    – In de groepen 6,7 en 8 is elke week een sociale kring. Daarin kunnen situaties besproken worden die die week gebeurd zijn. Situaties kunnen uitgespeeld worden, er kunnen afspraken over gemaakt worden.
    – Als er wrijvingen, conflicten of ruzies tussen kinderen ontstaan, bespreken we die met de betrokkenen. In de kring worden situaties besproken die de hele groep aangaan.
    – We spreken leerlingen aan op hun gedrag en gaan serieus om met pestgedrag. Wij werken aan een positieve sfeer in de groep.
    – De leerlingen hebben de mogelijkheid om pestgedrag te melden. Dit kan ook anoniem in de brievenbus van de contactpersoon.

    Indien er systematisch pestgedrag wordt gesignaleerd wordt het volgende stappenplan in werking gezet:
    – De leerkracht praat met de pester. De leerling krijgt een waarschuwing. Er worden afspraken op papier gemaakt en die worden daarna gecontroleerd. De ouders worden hierover geïnformeerd. De pester biedt zijn excuses aan aan de gepeste.
    – Bij herhaling volgt er een gesprek met ouders en een MT-lid erbij. Het kind krijgt een laatste waarschuwing en de verdere stappen bij herhaling van het gedrag worden met de leerling besproken. Het kind krijgt een bijpassende straf voor zijn gedrag.
    – Als het gedrag zich blijft voordoen vindt er een interne schorsing plaats.
    – Er kan een externe schorsing plaats vinden als het gedrag niet stopt.

    Hulp aan het gepeste kind:
    – We tonen medeleven en luisteren en vragen hoe en door wie er wordt gepest
    – We gaan na hoe de leerling zelf reageert, wat doet hij / zij voor, tijdens en na het pesten;
    – We laten de leerling inzien dat je soms op een andere manier kan reageren;
    – We laten de pester excuses maken voor het gedrag
    – We gaan na welke oplossing het kind zelf wil;
    – We benadrukken de sterke kanten van het kind
    – We stimuleren dat het kind zich anders opstelt
    – We praten met de ouders van het kind
    – We schakelen zo nodig hulp in zoals sociale vaardigheidstraining, jeugdgezondheidszorg, huisarts e.d.

    Hulp aan de pester:
    – We praten met de pester en we zoeken naar de reden van het pesten (baas willen zijn, jaloezie, verveling, buitengesloten voelen)
    – We laten inzien wat het effect van zijn / haar gedrag is voor de gepeste en geven mogelijkheden om het anders te doen;
    – We laten inzien welke positieve kanten de gepeste heeft
    – We schakelen indien nodig externe hulp in
    – We laten excuses aanbieden

    Hulp aan de grote groep:
    – We maken het probleem bespreekbaar
    – We stimuleren de kinderen een eigen standpunt in te nemen.
    – We bespreken met de leerlingen dat “meedoen”met de pester kan leiden tot een verergering van het probleem
    – We laten inzien wat het effect is voor de gepeste
    – We laten inzien welke positieve kanten de gepeste heeft.
    – We schakelen indien nodig externe hulp in.

    Basisregels:
    Regels behorende bij de eerste kapstokregel: Wees aardig voor iedereen.
    – Als iemand er anders uitziet of praat, mag dat
    – Wij geven elkaar geen bijnaam
    – Wij luisteren goed naar elkaar
    – Wij spelen en werken samen. Iedereen hoort erbij en mag meedoen.
    – Wij doen niets bij een ander dat we zelf ook niet prettig vinden.
    – Wij zijn zuinig op onze spullen en die van een ander.
    – Wij pakken niet zomaar iets van elkaar af, maar vragen het eerst aan elkaar.
    – Uitschelden helpt niet.
    – Uitlachen is niet leuk
    – We zorgen ervoor dat we niemand pijn doen.
    – We praten op een rustige toon tegen en met elkaar
    – Help elkaar als het nodig is
    – Je bedreigt elkaar niet
    – Als er een ruzie is, is het beter om je er niet mee te bemoeien.
    – Als je ruzie hebt, praat het eerst zelf uit. Lukt dat niet, dan kom je naar de juf of meester.
    – Als je vindt dat jijzelf of een ander kind gepest wordt, dan vertel je dat aan de leerkracht. Dat is geen klikken.

    Websites en telefoonnummers:
    Voor leerlingen:
    De Kindertelefoon 0800 – 0432 of www.kindertelefoon.nl
    Voor leerlingen en leerkrachten:
    Hulplijn Pestweb 0800 – 2828280 of www.pestweb.nl
    Voor ouders:
    0800-5010 of www.50tien.nl

    De contactpersonen voor leerlingen zijn juf Linda en juf Jessica. Kinderen krijgen in het begin van het schooljaar informatie over contactpersonen. Zij kunnen een briefje in een speciaal doorvoor bestemde brievenbus doen als zij hen willen spreken. Daarna neemt een van de contactpersonen contact met hen en wordt er een oplossing gezocht.
    Ouders kunnen bij de betreffende leerkracht terecht.

    Bijlage DIGIPESTEN

    Digipesten is digitaal pesten, dus via een apparaat. Voorbeelden van digipesten zijn uitschelden/roddelen op MSN, dreigmailtjes versturen, een virus sturen of iemand hacken (onder iemand anders naam nare berichten versturen). Via de computer is alles anoniem. Je kunt je makkelijk voordoen als een ander. Dit is meteen ook een gevaar. In bijv. een chatbox ken je de mensen niet, je weet niet wat hun bedoelingen zijn. Sommige kinderen maken ook ruzie via de mail of MSN. Vaak lost dit weinig tot niets op. De ruzie kan verergeren, omdat ze misschien iets typen wat ze niet zo bedoelen. Het getypte komt anders over bij de ontvanger, want die kan het gezicht er niet bij zien, dus ook niet precies weten wat er wordt bedoeld.

    TIPS voor kinderen:
    1. Tel tot 10 als je ergens over geïrriteerd bent op internet/internet, zeg geen dingen waar je later spijt van krijgt.
    2. Een geintje hoeft niet altijd als een geintje over te komen.
    3. Zet geen informatie over anderen op je homepage, ook niet voor de grap.
    4. Blijf aardig en vriendelijk (netiquette=hoe je je gedraagt op Internet). Praat ruzies niet uit via MSN, maar ga naar elkaar toe.
    5. Negeer pestmails.
    6. Blokkeer afzender mail of blokkeer MSN-er.
    7. Als er iets vervelends gebeurt in de chat, ga dan weg.
    8. Als het pesten aanhoudt en je je bedreigd voelt, praat erover met je ouders of iemand anders die je vertrouwt.
    9. Als je gepest wordt via internet, bewaar het als bewijs!
    10. Doe nooit dingen voor de webcam waar je later spijt van kan krijgen.
    11. Geef geen e-mailadressen, namen, telefoonnummers, foto’s, wachtwoorden en andere persoonlijke informatie aan mensen die je alleen via internet kent.
    12. Open nooit vreemde mailtjes, bijlagen of kettingbrieven.
    13. Geef nooit je wachtwoord aan iemand, ook niet aan je vriend of vriendin!
    14. Als je iets niet zou doen In Real Life, doe het dan ook niet op internet.

    TIPS voor ouders:
    1. Zet de computer op een centrale plek in de woning.
    2. Leer uw kind wat de gedragsregels (netiquette) op internet zijn.
    3. Zorg dat u zelf genoeg weet van internet, om te begrijpen waar uw kind mee bezig is. Maak uzelf vertrouwd met de belangrijkste mogelijkheden.
    4. Praat over internet met uw kind.
    5. Installeer een goede virusscanner.
    6. Reageer niet op pestmails.
    7. Vertel uw kind pestmails te bewaren als bewijs.
    8. Maak melding bij de wijkagent, of doe aangifte als het echt ernstig is.
    9. Informeer de school.
    10. Neem uw kind serieus, maar leer hem/haar ook te relativeren.

    TIPS voor leerkrachten:
    1. Toon interesse in wat kinderen doen op internet.
    2. Herhaal met de klas het antipest-beleid en spreek regels af over hoe je met elkaar omgaat op internet.
    3. Spoor de dader op.
    4. Licht je bouwteamleider in.

  • concept 2 / d.d. 17-11-2008

    Inhoudsopgave

    INLEIDING
    HOOFDSTUK 1 : Een kind wordt ziek onder schooltijd
    HOOFDSTUK 2 : Hulp bij incidenteel gebruik van medicijnen
    HOOFDSTUK 3 : Uitvoeren van medische handelingen
    HOOFDSTUK 4 : Fouten/ernstige situaties bij medicijngebruik
    of bij het uitvoeren van medische handelingen

    BIJLAGE 1 : Handelwijze voor als een kind ziek wordt op school
    Toestemmingsformulier

    BIJLAGE 2 : (Hulp bij) het verstrekken van medicijnen op verzoek
    Toestemmingsformulier 2

    BIJLAGE 3 : Uitvoeren van medische handelingen
    Toestemmingsformulier 3

    BIJLAGE 4 : Hoe te handelen bij een calamiteit
    Richtlijnen en vastgelegde gegevens

    BIJLAGE 5 : Uitvoeren van medische handelingen
    Bekwaamheidsverklaring

    INLEIDING
    Situatie 1 :
    Leerkrachten worden nogal eens geconfronteerd met leerlingen die onder schooltijd ziek worden, gestoken worden door een insect of klagen over pijn. Ongemakken die in veel ge-vallen met eenvoudige middelen zijn te verhelpen of te verlichten.

    Situatie 2 :
    Leerkrachten krijgen zo nu en dan het verzoek van ouders om tijdens schooltijd medicijnen toe te dienen aan hun kind of daarbij te helpen.

    Situatie 3 :
    Bij uitzondering wordt aan leerkrachten gevraagd medisch handelingen te verrichten, zoals het geven van sondevoeding of injecties of te handelen bij epilepsie of diabetes.

    Bij het verstrekken van medicijnen (situatie 1 en/of 2), al of niet door een arts voorgeschre-ven, begeven leerkrachten zich op een terrein waarvoor zij niet gekwalificeerd zijn : leer-krachten zijn niet opgeleid om vast te stellen wat er aan de hand is en welk medicijn zou kunnen worden gegeven. Dat geldt ook voor middelen als een “paracetamolletje”. Leer-krachten kunnen aansprakelijk gesteld kunnen worden voor fouten die zij daarbij maken, ook als het medicijn door een arts is voorgeschreven en/of op verzoek van ouders wordt gegeven.

    M.b.t. medisch handelen (situatie 3) geldt dat leerkrachten hier niet toe bevoegd zijn. Medi-sche handelingen mogen alleen verricht worden door een arts of – in opdracht van een arts – door beroepsbeoefenaren met voldoende medische opleiding. Leerkrachten mogen dus geen medische handelingen verrichten.

    Om steeds zorgvuldig te kunnen handelen, heeft de Caeciliaschool dit protocol opgesteld, waarin het beleid van de school in voornoemde situaties is vastgelegd. De school heeft daar-bij uitgebreid gebruik gemaakt van de adviezen en het voorbeeld-protocol van de GGD Eem-land.

    In hoofdstuk 1 leest u hoe de Caeciliaschool handelt als situatie 1 zich voordoet.

    In hoofdstuk 2 leest u hoe de school omgaat met een verzoek van ouders om medicijnen toe te dienen aan hun kind of daarbij te assisteren (situatie 2).

    In hoofdstuk 3 wordt uitgelegd hoe de Caeciliaschool zich zal opstellen bij een verzoek om medische handelingen (situatie 3) te verrichten.

    In hoofdstuk 4 staat beschreven hoe de school zal handelen als zich bij het toedienen van medicijnen danwel het uitvoeren van medische handelingen ernstige situaties voordoen.

    Na hoofdstuk 4 zijn de Bijlagen opgenomen, waarnaar in de tekst wordt verwezen.

    Algemene opmerking : met ‘ouders’ wordt ook bedoeld ‘verzorgers’

    Met dank aan :

    Afdeling Jeugdgezondheidszorg GGD Eemland
    HOOFDSTUK 1

    * Een kind wordt ziek onder schooltijd

    Het komt nogal eens voor dat een leerling gezond op school komt maar tijdens de school-uren ziek wordt (koorts, misselijkheid) of last krijgt van bijvoorbeeld hoofdpijn of oorpijn. Ook kan de leerling door een insect geprikt worden.

    Een leerkracht is in principe niet deskundig om een (juiste) diagnose te stellen en kan dus ook niet beoordelen of een op het eerste gezicht “onschuldig” verschijnsel (zoals misselijk-heid of hoofdpijn) wellicht een eerste aanwijzing van een ernstigere ziekte is.

    Onze uitgangspunten in deze situaties zijn daarom :
    – een kind dat door een op school opkomende ziekte of pijn of door een insectensteek
    gehinderd wordt bij het volgen van het onderwijs, gaat zo snel mogelijk naar huis.
    – de school geeft géén medicijnen, ook geen vrij verkrijgbare middelen als paracetamol, e.d.

    * Wat doet de school in deze situatie :

    -de leerkracht of (een lid van) de schoolleiding neemt contact op met de ouders of met door
    de ouders aangewezen vertegenwoordiger(s) om te overleggen door wie en binnen welke
    tijd de leerling gehaald wordt. Een kind wordt nooit zomaar naar huis gestuurd.

    – zolang het kind nog niet is opgehaald, zal de groepsleerkracht – zoveel haar/zijn onder-
    wijstaken dat op dat moment toelaten – het kind in de gaten blijven houden. Hij/zij zal
    daarbij zo goed mogelijk letten op :
    – toename van pijn
    – misselijkheid/braken
    – verandering van houding (bijvoorbeeld inkrimpen)
    – verandering van de huid (bijvoorbeeld erg bleke of hoogrode kleur)
    – verandering van gedrag (bijvoorbeeld onrust, afnemen van alertheid)

    – indien de ouders of de door hen aangewezen vertegenwoordigers ook na enkele pogingen
    daartoe niet te bereiken zijn, overlegt de groepsleerkracht van het kind met (een lid van)
    de schoolleiding of de/een huisarts geraadpleegd moet worden. Dat zal in ieder geval ge-
    beuren als voornoemde verschijnselen zich blijven voordoen of verergeren. Ook bij twijfel
    raadpleegt de school een arts of de Eerste Hulppost.

    – indien een leerkracht/(een lid van) de schoolleiding dat noodzakelijk acht (bijv. bij ernstige
    verwondingen of verstikkingsgevaar), zal onmiddellijk contact worden opgenomen met pro-
    fessionele hulpverleners : huisarts, 112, Eerste Hulppost.
    Uiteraard zal daarna geprobeerd worden z.s.m. ouders of door hen aangewezen vertegen-
    woordiger(s) te bereiken.

    Ouders kunnen – in afwijking van de in dit hoofdstuk beschreven handelwijze – de school toestemming geven om hun kind(eren) in deze situatie(s) tòch een eenvoudig middel te geven (bijv. een pijnstiller). Deze toestemming wordt schriftelijk vastgelegd middels het in Bijlage 1 opgenomen formulier.

    Het ingevulde formulier wordt door de leerkracht op een snel toegankelijke plaats bewaard. De schoolleiding krijgt een kopie.

    HOOFDSTUK 2

    * Hulp bij incidenteel gebruik van medicijnen

    Leerlingen krijgen soms medicijnen of andere middelen voorgeschreven, die zij gedurende een beperkte periode een aantal malen per dag moeten gebruiken, ook tijdens schooluren. Daarbij gaat het met name om medicijnen die een leerling zelf kan innemen, bijvoorbeeld pufjes voor astma of antibiotica. Ouders kunnen daarbij de school om medewerking en/of hulp vragen.

    Onze uitgangspunten in deze situaties zijn :
    – de school geeft de leerling de vereiste gelegenheid (tijd en ruimte) om de voorgeschreven
    medicijnen te bewaren en in te nemen
    – de leerling kan dat bij voorkeur zelfstandig
    – de ouders verstrekken de school alle informatie die in deze situatie van belang kan zijn

    Om ervoor te zorgen

    – dat ouders en leerkracht precies weten wat ze van elkaar mogen verwachten
    – dat ieder weet wat hij/zij moet doen
    – dat ieder weet waar hij/zij verantwoordelijk voor is

    worden er schriftelijk afspraken vastgelegd. In die afspraken wordt in ieder geval vermeld :

    – om welke medicijnen het gaat
    – het tijdstip/de tijdstippen waarop deze moeten worden toegediend
    – op welke wijze deze moeten worden toegediend
    – wat de rol van de leerkracht bij de toediening daarvan is
    – de periode waarin de medicijnen moeten worden toegediend
    – de wijze van bewaren
    – de vervaldatum en de wijze van controle daarop

    Voor het vastleggen van deze – en desgewenst uitgebreidere – afspraken wordt gebruik ge-maakt van het formulier in Bijlage 2.

    Wanneer de medicijnen gedurende langer dan twee weken moeten worden ingenomen, over-leggen ouders en leerkracht regelmatig over de ziekte en het daarbij behorende medicijnge-bruik op school. Een goed moment om te overleggen is in ieder geval wanneer ouders een nieuwe voorraad medicijnen komen brengen.

    * Hulp bij permanent medicijngebruik

    Leerlingen krijgen soms medicijnen of andere middelen voorgeschreven, die zij permanent een aantal malen per dag moeten gebruiken, ook tijdens schooluren. Te denken valt aan me-dicijnen bij epilepsie en diabetes. Ouders kunnen hierbij de school om hulp vragen.

    Onze uitgangspunten in deze situaties zijn :
    – de school geeft de leerling de vereiste gelegenheid (tijd en ruimte) om de voorgeschreven
    medicijnen te bewaren en in te nemen
    – twee leerkrachten worden verantwoordelijk voor een goede gang van zaken
    – de ouders verstrekken de school alle informatie die in deze situatie van belang kan zijn

    Om ervoor te zorgen

    – dat ouders en leerkracht precies weten wat ze van elkaar mogen verwachten
    – dat ieder weet wat hij/zij moet doen
    – dat ieder weet waar hij/zij verantwoordelijk voor is

    worden er schriftelijk afspraken vastgelegd. In die afspraken wordt in ieder geval vermeld :

    – om welke medicijnen het gaat
    – het tijdstip/de tijdstippen waarop deze moeten worden toegediend
    – op welke wijze deze moeten worden toegediend
    – welke leerkrachten verantwoordelijk zijn en wat hun rol bij de toediening van de medicijnen is
    – de periode waarin de medicijnen moeten worden toegediend
    – de wijze van bewaren
    – de vervaldatum en de wijze van controle daarop

    Voor het vastleggen van deze – en desgewenst uitgebreidere – afspraken wordt gebruik ge-maakt van het formulier in Bijlage 2.

    Het ingevulde formulier wordt door de leerkracht op een snel toegankelijke plaats bewaard. De schoolleiding krijgt een kopie.

    Alvorens een leerkracht overgaat tot (hulp bij) het toedienen van medicijnen krijgt hij/zij een adequate instructie. Hiervan wordt op het hierboven genoemde formulier (bijlage 2) melding gemaakt.

    HOOFDSTUK 3

    * Uitvoeren van medische handelingen

    Handelingen die volgens de wet onder “medisch handelen” vallen kunnen soms ook tijdens de schooluren noodzakelijk zijn. Te denken valt daarbij aan het geven van sondevoeding en het meten van de bloedsuikerspiegel bij suikerpatiënten door middel van een vingerprikje. Om deze handelingen te mogen verrichten, moet de betreffende persoon een medische op-leiding hebben genoten, danwel over een Bekwaamheidsverklaring beschikken.Leerkrachten zijn niet bevoegd tot het uitvoeren van medische handelingen. Daarom worden deze op school in zijn algemeenheid door Thuiszorg of de ouders zelf verricht. Indien ouders tòch een beroep op de medewerking van de school willen doen, geldt de hierna beschreven pro-cedure.

    Procedure :

    – een verzoek aan de school om medische handelingen te verrichten, moet door de ouders
    bij de schoolleiding worden ingediend
    – de ouders verstrekken de school alle noodzakelijke en beschikbare informatie aan de
    schoolleiding
    – de schoolleiding laat zich begeleiden en informeren door de GGD Eemland en/of andere
    door haar gewenste instanties
    – de schoolleiding overlegt met het College van Bestuur van de Stg. KPOA (waaronder de
    Caeciliaschool ressorteert)
    – de schoolleiding polst twee leerkrachten over hun mogelijke bereidheid op basis van wet-
    telijke eisen (o.a. het behalen van een officiële Bekwaamheidsverklaring)mee te werken aan
    de daadwerkelijke uitvoering van het verzoek
    – op basis van de aldus verkregen informatie beslist de schoolleiding of de school aan het
    verzoek van de ouders kan voldoen
    – alle afspraken worden vastgelegd in een specifiek op de situatie betrekking hebbend proto-
    col, op basis van het model in Bijlage 3

    De directie bewaart het formulier. De betreffende leerkrachten krijgen een kopie en bewaren dat op een snel toegankelijke plaats.

    HOOFDSTUK 4

    * Fouten / ernstige situaties bij medicijngebruik of bij het uitvoeren van een medische
    handeling

    Om adequaat te kunnen handelen als een kind niet goed reageert op een medicijn of als er een fout is gemaakt, gelden de volgende richtlijnen voor de leerkracht(en) hoe te handelen in een dergelijke situatie :

    Op een formulier (zie Bijlage 4) worden alle relevante gegevens* van het kind dat medicijnen krijgt toegediend, verzameld. Het formulier wordt op een snel toegankelijke plaats bewaard, de schoolleiding krijgt een kopie.

    – de leerkracht laat het kind niet alleen, maar blijft het kind observeren
    – de leerkracht probeert het kind gerust te stellen
    – hij/zij waarschuwt een volwassene voor hulp of laat een kind een volwassene opha-len, waarbij hij/zij het kind duidelijk instrueert wat het tegen de volwassene moet zeggen
    – de leerkracht/de te hulp geschoten volwassene belt de huisarts en/of de specialist van het kind
    – indien door de leerkracht de situatie ernstig wordt ingeschat of bij twijfel, belt hij/zij direct het alarmnummer 112
    – de leerkracht geeft nauwkeurig aan huisarts/specialist/112 door n.a.v. welk medicijn of medische handeling zich een ernstige situatie voordoet en/of welke fout is ge-maakt en welke reactie het kind vertoont
    – de leerkracht belt de ouders – b.g.g. – hun door de ouders aangewezen vertegen- woordiger
    – de leerkracht meldt aan de ouders/vertegenwoordigers :
    > wat er is gebeurd
    > welke professionele hulp (arts/specialist/112) is ingeschakeld
    > wat – zover bekend – door deze professionele hulpverleners is gedaan
    > naar welk ziekenhuis het kind – in geval van opname – is vervoerd

    * Relevante gegevens die in ieder geval worden vastgelegd :
    – naam van het kind
    – de geboortedatum
    – adres
    – telefoonnummers (thuis en op hun werk) van de ouders en/of hun vertegenwoordigers
    – naam, adres en telefoonnummer van de huisarts van het kind
    – naam, adres en telefoonnummer van de specialist van het kind
    – het ziektebeeld waarvoor de medicijnen/medische handelingen noodzakelijk waren
    – de naam van de medicijnen en/of de aard van de medische handelingen

  • Hoofdluis komt regelmatig voor. Het opstellen van een protocol, waarin de verantwoordelijkheden van ouders en school duidelijk zijn beschreven alsmede de acties die de ouders en school onder-nemen, moet ertoe leiden : 

    – dat hoofdluis zo vroeg mogelijk wordt gesignaleerd
    – dat hoofdluis adequaat wordt bestreden

    VERANTWOORDELIJKHEDEN

    Ouders
    Van ouders verwachten we dat zij :
    – alle leden van hun gezin regelmatig, liefst wekelijks op hoofdluis controleren
    – in geval van besmetting onmiddellijk en adequaat actie ondernemen om de hoofdluis te bestrijden en daarmee doorgaan tot de hoofdluis ècht is verdwenen
    – in geval van besmetting onmiddellijk de school op de hoogte stellen
    – in geval van besmetting ook ouders van vriendjes en anderen waarmee hun kind regelmatig contact heeft, op de hoogte stellen

    School
    Van de school wordt verwacht dat zij :
    – preventieve maatregelen neemt (zie hieronder)
    – in voorkomende gevallen de ouders van medeleerlingen en alle teamleden waarschuwt dat er hoofdluis voorkomt in de groep van hun kind(eren)
    – desgewenst ouders informatie geeft over wat hoofdluis is, hoe het te signaleren en hoe het te bestrijden
    – bij erg hardnekkige hoofdluis de GGD zal inschakelen voor nadere ondersteuning

    PREVENTIEVE MAATREGELEN VAN DE SCHOOL
    De preventieve maatregelen van de school bestaan uit :
    – het met de ouders bespreken op de groeps-informatie-avonden aan het begin van het schooljaar van hoofdluis : wat is het , hoe is het te signaleren, hoe is het te bestrijden en wat is de rol van ouders
    – het aan het begin van het schooljaar in iedere groep bespreken van wat hoofdluis is, hoe het gesignaleerd kan worden en wat kinderen zelf kunnen doen om het te voorkomen dan-wel te bestrijden (uiteraard rekening houdend met de leeftijd van de kinderen)
    – de plaatsing van het luizenprotocol op de website. Daarnaast de plaatsing van een samen-vatting van het protocol in de Schoolgids, inclusief een verwijzing naar het volledige pro-tocol op de website
    – de aanstelling van een van de leerkrachten tot coördinator luizenpreventie
    – de instelling van een werkgroep van ouders, die periodieke controles houden
    – het melden van het vóórkomen van hoofdluis in een groep aan de betreffende ouders en aan alle teamleden om daarmee verdere verspreiding tegen te gaan
    – het, indien nodig geacht, verstrekken van plastic zakken om hun jas, muts en das in te doen, aan de kinderen van een groep waarin hoofdluis voorkomt

     

     

    Taken van de coördinator luizenpreventie
    De coördinator
    – organiseert in de eerste maand van het schooljaar een bijeenkomst met de leden van de ouderwerkgroep om daarin alle afspraken, zoals onder meer vastgelegd in dit protocol te bespreken
    – onderhoudt de contacten met de ouderwerkgroep
    – draagt zorg voor het in voldoende mate beschikbaar zijn van de middelen die nodig zijn om de controles uit te voeren. Dat zijn in ieder geval een aantal luizenkammen
    – zorgt ervoor dat alle benodigdheden (waaronder luizenkammen, groepslijsten) voor iedere controle klaarliggen
    – beschikt over voldoende en adequaat informatiemateriaal (bijv. folders) om desgewenst aan ouders en/of collega’s te overhandigen
    – zorgt ervoor dat – indien nodig geacht – alle kinderen van de groep(en) waarin hoofdluis is vastgesteld een plastic zak krijgen, waarin zij hun jas, muts en das kunnen doen. De coördinator zorgt ervoor dat er een voorraad zakken op school aanwezig is.
    – stelt jaarlijks de controleweken vast, informeert de leden van de ouderwerkgroep daar-over en herinnert hen tijdig aan de eerstvolgende controle
    – neemt de namenlijsten m.b.t. de controles in bewaring
    – controleert de rol van de leerkrachten

    Taken van de groepsleerkrachten
    De groepsleerkrachten
    – werven aan het begin van het schooljaar – desgewenst via hun klassenouder – minimaal één, maar bij voorkeur twee of drie ouders die lid willen worden van de ouderwerkgroep.
    – geven de namen van de door hen of door hun klassenouder geworven ouder(s) door aan de coördinator
    – dragen zorg voor een volledige namenlijst van hun groep t.b.v. de preventieve controles
    – houden deze namenlijst up-to-date
    – nemen na de controle de lijst met bevindingen in ontvangst
    – bellen z.s.m., maar in ieder geval op dezelfde dag naar ouders van kinderen waarbij neten of hoofdluis is waargenomen, wijzen hen op het luizenprotocol en dringen er bij de ouders op aan onmiddellijk tot behandeling over te gaan
    – geven de groepslijst aan de coördinator luizenpreventie in bewaring
    – waarschuwen de ouders van al hun leerlingen en alle teamleden (i.v.m. broertjes en zusjes) als tussen de preventieve controles hoofdluis wordt waargenomen bij een van hun leer-lingen
    – vragen de ouderwerkgroep om een extra controle als zij de noodzaak daartoe aanwezig achten
    – stellen de coördinator luizenpreventie op de hoogte van tussentijdse hoofdluisproblemen, van extra controles en van alle overige belangrijke ontwikkelingen

    De ouderwerkgroep
    De leden van de ouderwerkgroep worden geworven door de groepsleerkrachten. De belangrijkste taak van deze werkgroep is : volgens de aan het begin van het schooljaar vastgestelde planning alle kinderen van de school preventief controleren op de aanwezigheid van hoofdluis. Ook even-tuele hercontroles worden door leden van de ouderwerkgroep uitgevoerd. De ouderwerkgroep komt aan het begin van het schooljaar één keer bij elkaar om te overleggen.

     

    De controles
    De controles vinden plaats in de week, aansluitend aan iedere vakantie van minimaal één week, m.u.v. de eerste controle : deze vindt in de tweede week van het schooljaar plaats. Indien kin-deren tijdens deze controle afwezig zijn, worden zij z.s.m. na hun terugkeer alsnog gecontro-leerd.

    De groepsleerkracht overlegt met de controlerende ouder of de controle binnen of buiten het klaslokaal wordt uitgevoerd. Indien dat buiten het klaslokaal gebeurt, gaan de kinderen altijd met minimaal twee tegelijk naar de controle.
    De controlerende ouder wast steeds na haar handen als ze (maximaal) vijf kinderen heeft gecon-troleerd.
    Van de controlerende ouders wordt verwacht dat zij géén informatie geven aan derden over hun bevindingen, ook niet als daar door kinderen en/of hun ouders om wordt gevraagd. Hij/zij geeft haar/zijn bevindingen alleen aan de betreffende groepsleerkracht. In deze gevallen verwijzen de controlerende ouders naar de betreffende groepsleerkracht(en).

    De controlerende ouder :
    – noteert haar/zijn bevindingen op de klassenlijst
    – overhandigt na afronding van de controles deze lijst aan de groepsleerkracht
    – voert zo nodig na twee tot drie weken hercontroles uit

    Hardnekkig luizenprobleem
    In geval van vaak weerkerende besmetting – hetzij in een bepaalde groep, hetzij bij een bepaald kind/gezin – of als de behandeling onvoldoende resultaten blijft opleveren, schakelt de coördina-tor luizenpreventie externe deskundigheid in.

Naar boven